Handicaps in een later stadium van het leven verkregen*

Wanneer de mens gedurende lange tijd uit zijn evenwicht is, kan dit tot ongelukken leiden die handicaps veroorzaken. Maar niet iedereen die uit zijn evenwicht is krijgt een lichamelijke handicap.

Deze onevenwichtigheid wordt niet opgemerkt door de persoon zelf.
De mens heeft innerlijk de wens op zich genomen een bepaalde ontwikkeling door te maken, maar luistert onvoldoende naar zijn innerlijke impulsen. Hierdoor staat hij voor zichzelf niet wezenlijk in het leven dat voor hem bedoeld is. Hij wordt innerlijk, geestelijk, niet vooruit geholpen en doet zichzelf gedurende lange tijd te kort. Hij luistert niet voldoende naar wat hij werkelijk nodig heeft.

Ook op anderen kan hij, bijvoorbeeld door z’n gejaagdheid of dwang, zo’n druk uitoefenen dat het voor de omgeving een last wordt. Een ongeluk kan hem dwingen zichzelf af te remmen. Dat is dan een roep om halt te houden naar zichzelf toe. Maar dit kan ook anderen raken, bijvoorbeeld familie of medeslachtoffers.

Op die manier kan een ongeval hem helpen zich te keren naar het contact met z’n innerlijke kern. Dan vindt er weer groei plaats. Het proces is dan gekeerd. Op die manier leert men ook wezenlijk aan te voelen wat het leven voor zin heeft en wordt de eigen inzet vergroot. Aanvankelijk leefde men min of meer willoos, niet in harmonie met de innerlijke wens.

Voorbeeld: een 17-jarige jongen springt tijdens een schoolreisje in een ondiep ven en breekt zijn nek. Ga maar eens na op hoeveel manieren vele mensen wezenlijk bij dit ongeluk betrokken raken. De jongen heeft, in dienstbaarheid voor allen, de aanzet gegeven.

Ander voorbeeld: mensen die zichzelf overtreffen en zich te buiten gaan onder invloed van anderen ongelukken veroorzaken door onvoorzichtigheid.
Zij richten zichzelf te veel naar buiten en kijken innerlijk onvoldoende of dit ook goed voor hen is. Zij imiteren bijvoorbeeld anderen door gebrek aan eigenwaarde. Het gevolg is wel dat zij uiteindelijk toch weer op zichzelf worden teruggeworpen. Door de hen beperkende omstandigheden waartoe zij gedwongen worden, moeten zij een beroep doen op eigen creativiteit.

Zowel hoogmoed als minderwaardigheidsgevoelens kunnen aanleiding worden tot het oplopen van een ongeluk.
Mensen met minderwaardigheidsgevoelens willen zelfs niet meer naar zichzelf kijken: zij stellen toch niets voor. Een ongeval kan hen dan helpen door langdurig rusten en door het hebben van weinig contacten, zichzelf klein te voelen en aan zichzelf toe te komen. Bijvoorbeeld door te tekenen, te lezen en dergelijke. Het ongeluk wordt dan een hulp om eigenwaarde te herstellen in beperkte omstandigheden.

Hoe kunnen deze mensen, juist binnen beperkte omstandigheden, leren zichzelf lief te hebben?
Mensen die een minderwaardigheidsgevoel hebben, hebben gauw de neiging zichzelf weg te cijferen, zodanig dat er bijna niets van hun ik overblijft. Door zich naar buiten te keren en zich te bevestigen in het helpen van anderen, zullen zij herstel zoeken in hun pijn door gebrek aan eigenwaarde. Door het ongeluk wordt hen deze mogelijkheid onthouden. Deze eigenschap kunnen ze nu nog alleen voor zichzelf aanwenden.

Wanneer een mens door een ongeval gehandicapt wordt, worden er energieën weggehouden, bijvoorbeeld in de benen. Die energieën helpen een innerlijk proces te vormen waardoor de persoon door de beperkte omstandigheden gedwongen wordt zich bepaalde processen eigen te maken.
Iemand die blind wordt bijvoorbeeld, dient z’n gehoor te ontwikkelen waardoor hij zichzelf verfijnder dient open te stellen naar de wereld toe en in afhankelijkheid dienend is voor zichzelf en zijn naaste omgeving.

Het komt voor dat een ziel al van tevoren kennis heeft van een komend ongeval.
Soms heb je een keuze voordat je incarneert, in vormen van ongevallen omdat je anders meer levens nodig zou hebben.

Enkele voorbeelden van leerprocessen.
Iemand die “te snel” wil kan bij ongevallen blokkades aan het onderlichaam oplopen en iemand die anderen onderdrukt bijvoorbeeld een letsel aan de spraak kunnen oplopen.
Als iemand z’n creativiteit langdurig heeft afgesloten wordt het lichaam door een ongeluk zo geblokkeerd dat alleen de zintuigen gescherpt worden en men alleen innerlijk nog creatief kan zijn.

(zie volgende kolom)
(vervolg van vorige kolom)

Mensen die langdurig alleen zijn en weinig zorg van anderen ontvangen krijgen soms kortdurende ongevallen zodat ze enige tijd op de zorg van anderen zijn aangewezen. Hierdoor wordt hun langdurige eenzaamheid meer in evenwicht gebracht. Als zij iets creatiever waren geweest in het aangaan van contacten met anderen zou dit ongeluk niet gebeurd zijn.
Iemand die te volgzaam naar anderen is, bijvoorbeeld naar goeroes, kan een ongeluk krijgen waardoor hij beperkt wordt in z’n behoefte anderen te volgen.

Men dient alleen te volgen wat men innerlijk als wens voelt.
Wezenlijke verering dient altijd op jezelf gericht te zijn.

Mensen die onzorgvuldig zijn in hun gedrag uit een vorm van egoïsme, uit laksheid anderen tekort doen, kunnen soms ongelukken krijgen die hen voor enige tijd aan huis binden.
(Jongeren die hun ouders verwaarlozen. Daardoor kunnen zij alsnog leren wat zij zich thuis al hadden moeten eigen maken.)
Er zijn mensen die langdurig zich onafhankelijk getoond hebben en daarin samenwerking uit de weg zijn gegaan. Zij moeten leren wat het betekent wezenlijk in contact met anderen te staan. Door ziekteprocessen of ongevallen leren zij anderen die hen verzorgen te waarderen.
Zo worden zij minzaam naar de medemens.

Mensen die door bijzondere, eenmalige gebeurtenissen, tot inzicht willen komen.
Dit kan plaatsvinden, bijvoorbeeld, door een bijna-dood ervaring;
of door een harde klap op het hoofd waardoor men helderziend wordt;
een val op het stuitje kan verstoord functioneren nadien verbeteren.
Men kan ook ziektes op zich nemen uit dienstverlening naar anderen toe. Deze mensen brengen vaak zelf zeer nauwkeurig onder woorden wat het doel van hun ziekte is.
Bij de lichamelijke ontwikkeling van een kind kunnen, om allerlei redenen, lichamelijke stoornissen optreden. De oorzaak is verschillend, terwijl de symptomen veel overeenkomst met elkaar kunnen hebben.

Jongeren die teveel op zichzelf gericht zijn en anderen die teveel naar buiten gekeerd zijn
– ( deze laatste groep is zo sterk naar buiten gekeerd dat zij in een reflex reageert en niet innerlijk aanvoelt waar wel of niet op te reageren) –
vallen bijvoorbeeld van de trap, lopen snel, steken onverhoeds de straat over, reageren sterk op geluid. Hun hele wezen is actief geprikkeld.

Ook kinderen met een aangeboren overbezorgdheid, die de neiging hebben verantwoordelijkheden van anderen over te nemen. Deze kinderen letten te weinig op wat ze zijzelf nodig hebben. Dit gaat ver boven gewone zorgzaamheid uit Deze kinderen zijn te weinig wezenlijk betrokken op zichzelf. Een ongeval is dan een signaal.

Ook een kind dat te weinig geknuffeld wordt of te veel moet leren of voor wie de ontwikkeling, gezien zijn leeftijd, te snel gaat, kan een ongeval krijgen. Het verlangen naar terugkeer naar waar het eens was krijgt de overhand. Het ongeval biedt dan een tussenfase aan om van het ene gebied naar het andere te komen.
Dikwijls worden deze kinderen lastig omdat zij wensen in te halen wat ze te kort gekomen zijn.

Ziekten en pijnen bieden de mens de kans inzicht rond zichzelf te ontwikkelen op basis van onvrijwilligheid. Wel is de wens daartoe ontstaan in de geestelijke wereld.
In dit licht gezien dient de mens een ongeval te aanvaarden en kennis te nemen van het onderliggende groeiproces, waardoor dit ongeval kon plaatsvinden. Verdieping rond oorzaak, maar vooral ook gevolg geven aan deze inzichten is heel belangrijk.

Een ongeluk toont dan de diepte van de val die geestelijk speelt.
Dit is geen straf maar een struikeling op de levensweg, waardoor deze beter en bewuster vervolgd zal kunnen worden.
Niemand kan zijn weg gaan zonder struikelen.
Het is de steeds terugkerende herhaling van het gebrek aan inzicht
die deze “ingreep” nodig maken.

Anna Lamb

*Landelijke werkgroep spirituele pedagogie

Reacties zijn gesloten.