Ver vóór de conceptie

De mens is van oorsprong geest, een soort lichtbron, een goddelijke vonk.
Door begeerte heeft er een afsplitsing vanuit deze lichtbron plaatsgevonden, ontstaan uit verlangen méér, bewuster, te zijn.
Dit heeft afscheiding tot gevolg gehad.

De Levenskernen zijn inmiddels zo verdicht dat er bijna geen herinnering meer aan de oorsprong is. Men is nog wel verbonden met de lichtkern, die men in wezen is. De totale sterkte zou het stoffelijk zijn echter niet meer kunnen verdragen. Men zou verbranden.
Daarvoor is nu een soort katalysator (trechter) nodig, een overgangsgebied dat de geestkracht en dus ook de geestelijke waarden als het ware vertaalt naar de ziel toe; deze maakt weer op haar beurt een eenvoudige vertaling naar de stof, de persoonlijkheid.
In de persoonlijkheid ligt het werkterrein van nu.

Door wrijvingen, botsingen kortom door lijden, ontstaat door schade en schande inzicht, bewustzijn in de persoonlijkheid.
Van de wonden die hierbij ontstaan dienen we ons te bevrijden en dat leidt tot inzicht. Dan ontstaat in de ziel het weten.
En dan komt er bewustzijn tot nu toe.

In deze nieuwe tijd is echter “het licht aangegaan”.
Dwz nu kunnen we bewust naar onze wonden kijken en ons zo ook bewust bevrijden.
We behoeven niet langer door pijnlijke wrijvingen heen om bewust te worden.

Laten we vanuit dit weten eens kijken naar de gang die een menselijke ziel gaat naar het aardse leven.

Reacties zijn gesloten.